#67 (2017)
Joost Rekveld

Een wandeling doorheen elektromagnetische werelden

In dit kort essay wil ik een aantal achtergronden schetsen van mijn videowerk #67, dat een hommage is aan de werken Telc en Reminescence, gemaakt door Steina en Woody Vasulka in 1974. Deze hommage is gebaseerd op een interpretatie die werd gevormd door de ideeën van von Uexküll. Bij het maken van #67 herbekeek ik het principe achter de Rutt-Etra videoprocessor die werd gebruikt door de Vasulka?s, en ging ik zijn oorsprong na via de bijna vergeten geschiedenis van analoge computing. Het resulterende werk is een reflectie op de materialiteit van elektromagnetische signalen in een stedelijke omgeving.

alternatieve waarnemingen De vroeg-20e-eeuwse theoretische bioloog Jakob von Uexküll wordt vaak aangehaald als een voorloper van basisbegrippen in de cybernetica en als inspiratiebron voor de crossover tussen robotica en kunstmatige intelligentie die ontstond in de jaren 1980. Zijn ideeën beïnvloedden ook heel wat filosofen, bijvoorbeeld Heidegger, Deleuze en Agamben. Ongeveer twintig jaar geleden kwam ik iets over hem te weten via een voetnoot in het boek van Stephen Kern The Culture of Time and Space 1880-1918. In dat boek vermeldt Kern hem omwille van zijn bijdrage aan het idee dat ruimte en tijd niet absoluut zijn, maar gerelateerd aan culturen, individuen, of in het geval van von Uexküll, biologische species. Een goed voorbeeld hiervan is von Uexküll's bespreking van wat één van de meest poëtische wetenschappelijke experi¬menten is die ik ken: een experiment met een slak beschreven in zijn boek Strolls through the Worlds of Animals and Humans uit 1934. Hij schrijft: "Een slak wordt op een rubberen bal gezet die wrijvingsloos kan bewegen, aangezien hij op water drijft. Het huisje van de slak wordt vastgehouden door een klem. Op deze wijze is de slak vrij in haar kruipbewegingen, maar blijft ze altijd op dezelfde plek. Wanneer we met een klein stokje zijn voet aanraken, zal de slak erop kruipen. Als we de slak 1 à 3 keer per seconde met het stokje tikken, zal ze zich afkeren. Maar als wij het contact vier keer of meer per seconde herhalen, begint ze op het stokje te klimmen. In de 'Umwelt' van de slak is een stokje dat heen en weer beweegt met een snelheid van vier keer per seconde al uitgegroeid tot een stokje in rust." Dit eenvoudig maar diepgaand experiment biedt ons een extern perspectief op het radicaal geconstrueerde karakter van een omgeving. Het doet ons afvragen wat het verschil is tussen een slak die probeert te klimmen op een stokje dat vier keer per seconde opduikt en weer ver¬dwijnt, en de mens die een continu karakter toeschrijft aan de flikkerende beelden die hij ziet op film- en videoschermen, of aan de dunne wolken van snel bewegende moleculen die worden waargenomen als stevige tafels en stoelen. Wat het werk van von Uexküll zo interessant maakt, is dat hij een woordenschat van termen ontwikkelt rond het centrale 'Umwelt'-concept die nuttig zijn in het helpen denken over werelden die op een heel andere manier worden waargenomen dan de onze. Een vereenvoudigde uitleg van het begrip 'Umwelt' zou kunnen zijn dat de wereld van elk dier bestaat uit de mogelijke interacties die het kan hebben en daarom geworteld is in zijn biologie. Om dit verder te specificeren, introduceert von Uexküll het concept van een 'functionele lus'. In elk ervan triggert een externe 'seinoverdrager' een gedrag dat gericht is op het elimineren van het effect van de trigger wanneer de functionele lus van de buitenwereld in het organisme dringt en terugkeert, zodat het organisme de lus sluit door het maken van een verandering in het milieu die op een of andere manier de reden wegneemt voor het waarnemen van het sein. Een voorbeeld zou zijn hoe sommige eencellige organismen worden getriggerd door een gebrek aan voedingsstoffen in hun omgeving en blijven zwemmen tot ze aankomen op een betere plaats waar de concentratie voedingsstoffen hoog genoeg is. Eenvoudige organismen hebben een wereld met twee of drie dergelijke functionele lussen, ingewikkelde organismen zoals mensen hebben er heel wat meer, en twee species delen die onderdelen van hun wereld op plaatsen waar deze lussen elkaar kruisen bij objecten waarin ze een gemeenschappelijk belang hebben. Veel van von Uexküll's werk kan worden gezien als een poging om de innerlijke logica van de werelden van verschillende species te begrijpen, waarbij hij probeert om niet in de val te trappen van de veronderstelling dat onze menselijke wereldsfeer op een of andere manier bevoorrecht is en alle andere omvat. Zijn beeld van kruisende werelden die bestaan uit netten van feedback-lussen lokt fantasieën uit van hoe we toegang kunnen hebben tot buitenaardse vormen van waarneming, en het geeft ons ook belangrijke conceptuele instrumenten teneinde om te gaan met die fantasieën. In de loop der jaren heb ik verschillende experimentele projecten uitgevoerd ? met studenten en als onderdeel van mijn eigen praktijk ? om von Uexküll's ideeën op een zeer concrete manier te onderzoeken, door de vraag te stellen of we nieuwe 'functionele lussen' kunnen creëren door apparaten te bouwen die kunnen dienstdoen als nieuwe zintuigen. Deze nogal rudimentaire experimenten in zintuiglijke uitbreiding namen meestal de vorm aan van draagbare sensoren die signalen oppikken die mensen niet kunnen waarnemen, met verschillende transformaties van hun output. Ik heb geëxperimenteerd met zeer gevoelige warmtesensoren en detectoren van elektromagnetische golven, maar het meest ingewikkelde project was geïnspireerd op de elektrostatische zintuigen van haaien, uit nieuwsgierigheid om te weten wat de waarneming van elektrostatische velden zou opleveren in een stedelijke omgeving. Ik bouwde een rudimentair apparaat dat elektrostatische velden detecteerde in verschillende richtingen, die zouden resulteren in verschillende trillingspatronen op de huid van mijn linkerarm. Ik gebruikte dit apparaat om rond te lopen in steden en ontdekte dat ik zoiets als een zintuig voor materialen had verworven: grote oppervlakken in glas en plastiek accumuleren elektrostatische ladingen die door dit apparaat zouden kunnen worden waargenomen. Ik maakte een installatie geïnspireerd op deze ervaringen, maar dit is nog steeds een onderdeel van mijn werk dat wacht om te worden voortgezet in andere vormen. De ideeën van von Uexküll zijn naar mijn mening ook relevant voor het denken over bepaalde soorten experimentele film en video. Bij experimentele film is er een lange geschiedenis van kritische houdingen ten opzichte van de apparaten die dienen om bewegende beelden te capteren en te tonen. Deze houding is gebaseerd op het begrijpen van hoe onze visuele perceptie tot op zekere hoogte cultureel is bepaald door deze apparaten en de industriële en technologische culturen waarvan ze deel uitmaken. In deze traditie heeft het werk van cineasten als Stan Brakhage en Jordan Belson mij altijd geïnspireerd, en vooral hun aanpak van de ingrepen in filmcamera?s teneinde een persoonlijke visie te bereiken. Stan Brakhage heeft op een welbekende manier geschreven over hoe het nodig is de camera te verstoren om zich te bevrijden van gestandaardiseerde filmische manieren van afbeelden, die zelf grotendeels zijn gebaseerd op de traditie van de westerse schilderkunst sinds de Renaissance. Verstoring is geen doel op zich hier, maar noodzakelijk voor een visuele demonstratie van een persoonlijke relatie met de wereld. De abstracte filmmaker Jordan Belson beschreef zijn eigen werk als documentaires, niet van een feitelijke realiteit vóór zijn cameralens, maar van een wereld van interne beeldspraak die door optische apparaten wordt gegenereerd. De belofte die dit soort ideeën inhouden, is dat indien onze waarneming in zekere mate het resultaat is van culturele opbouw, ze ook tot op zekere hoogte buigzaam is, en door andere voorbeelden kan worden veranderd. Sinds ik voor het eerst Telc en Reminescence van Steina en Woody Vasulka zag, zijn ze een referentiepunt voor mij geworden bij het nadenken over hoe bewegende beelden alternatieve vormen van waarneming kunnen capteren of tonen. Beide werken werden op min of meer dezelfde manier gemaakt tijdens een bezoek van Woody en Steina aan de streek waar Woody enige tijd doorbracht tijdens zijn kinderjaren: onbewerkte videobeelden werden visueel getransformeerd met behulp van een Rutt-Etra scan processor, waarbij het oorspronkelijk opgenomen geluid onaangeroerd bleef. De soundtrack dient om de beelden te verankeren in een alledaagse realiteit met herkenbare interacties met objecten en mensen, terwijl de beelden zijn omgezet in complexe lijnpatronen. Deze zijn duidelijk van een analoge elektronische aard, vergelijkbaar met radarbeelden of echograms, en tonen voortdurende transformaties van een verbonden visueel gebied. Objecten springen uit dit veld en kunnen in zeldzame gevallen worden herkend, maar meestal zien we alleen een flux van transformaties. De patronen in deze flux brengen sterk de ervaring over van een lichaam dat navigeert doorheen een reeks ruimtes: wat ook de ongewone visuele logica van deze wereld moge zijn, we herkennen nog altijd hoe de veranderingen in het patroon worden veroorzaakt door een bewegend gezichtspunt. Door de ?buitenaardse? landschappen die zij tonen, creëren Telc en Reminescence een viscerale menselijke ervaring van hoe onze waarnemingen het resultaat zijn van het scannen van onze omgeving met ons lichaam. Media materie Mijn videowerk #67 kwam tot stand door een vraag van de Commissie van het LIMA Media Art-archief in Amsterdam in het kader van hun project UNFOLD. De uitnodiging bestond erin een nieuw stuk te creëren dat zou verbonden zijn met het werk van de Vasulka?s, als een daad van 'herinterpretatie' van hun videokunstcollectie. Omdat Telc en Reminescence zulke belang¬rijke referenties voor mij zijn geweest, was het duidelijk dat die werken het uitgangspunt zouden vormen. Het opzet was om mijn onderzoek naar zintuiglijke uitbreiding voort te zetten door het ontwikkelen van een draagbaar systeem dat beelden zou genereren in real-time op basis van sensorlezingen, ter vervanging van direct vision. Binnen het LIMA-project gaf ik een workshop rond dit thema. Hiervoor hebben we in eerste instantie software ontwikkeld voor een mobiele telefoon die een rudimentaire versie oplevert van de visuele verwerking die Steina en Woody verkregen met hun Rutt-Etra processor. De beeldstroom van de telefooncamera werd omgevormd tot een stereoscopisch lijnenpatroon, dat een zeer beperkte, maar real-time interpretatie van Telc en Reminescence opleverde. We gebruikten dit als uitgangspunt in de workshop en onderzochten andere visuele vertalingen, ook met behulp van input van andere sensoren en met het volledig negeren van de camerastroom. Het plan voor #67 was om de workshop te gebruiken voor voorbereidende experimenten, en een video te maken op basis van onbewerkte beelden van een stedelijke wandeling, nadien visueel getransformeerd door een verwerking via mijn software. Bij het opnieuw lezen van de handleiding van de Rutt-Etra-processor als onderdeel van dit proces, stuitte ik op de volgende korte beschrijving door Steve Rutt, en het project nam vanaf dan een heel andere wending: "De Rutt/Etra Synthesizer is een analoge videocomputer. Als hij aanstaat wordt het inkomende videosignaal gescheiden in zijn verticale, horizontale en intensiteitscomponenten. Deze componenten worden verwerkt door middel van een reeks multipliers, optellende versterkers en functiegeneratoren om zowel het rasterformaat als de intensiteit van de verwerkte video te wijzigen. De synthesizer kan specifieke gedeelten van het beeld lichter of donkerder maken en kan het rooster sturen dat het beeld verandert. De componenten van de verwerkte video worden gevoed in een speciaal ontworpen kinescope display waar ze opnieuw worden geassembleerd tot een standaardbeeld. Dit beeld wordt opgepikt door een monochrome camera, gekleurd, en gevoed in een Switcher of video-tape recorder." Toen ik die beschrijving voor de eerste keer las, vele jaren geleden, kon ik mij niet veel voorstellen bij de term 'analoge videocomputer'. Maar dit keer was mijn reactie heel anders, vanwege het vrij uitgebreid praktisch en historisch onderzoek naar analoge computers dat ik de afgelopen vijf jaar heb gedaan. Mijn interesse in deze toestellen begon toen ik wilde terugkeren naar het opbouwen van fysieke apparaten in plaats van systemen louter opgebouwd uit code, maar vijf jaar later ben ik nog steeds gefascineerd door de cultuur waar ze deel van uitmaakten en het perspectief dat ze bieden op fundamentele begrippen zoals 'berekening' en 'informatie'. Elektronische analoge computers werken volgens geheel andere principes dan digitale computers: variabelen worden vertegenwoordigd door spanningen, die kunnen worden opgeteld, vermenigvuldigd en geïntegreerd met relatief eenvoudige circuits, en de resulterende curves worden geplot of weergegeven op een oscilloscoop. Grote analoge computers bestaan uit heel wat modules en zijn 'geprogrammeerd' met behulp van patchkabels. Deze apparaten zijn bijna volledig vergeten, ook al waren ze heel gebruikelijk tussen 1950 en 1975. Zij maakten supersonische vliegtuigen, raketten en kernreactoren mogelijk, werden gebruikt bij het Nederlandse Deltaplan, en hielpen de mens op de maan landen. Generaties ingenieurs werden opgeleid in de concepten onderliggend aan analoge computing, en analoge computers waren vrijwel de enige manier om real-time testen van wiskundige modellen uit te voeren, totdat personal computers alomtegenwoordig werden in de vroege jaren 1980. Desondanks maken geschiedenisboeken over informatica nauwelijks melding van analoge computing of spreken ze er zelfs helemaal niet over, en vermelden ze enkel een merkwaardig lineair type vooruitgang. Afgezien van dit intrigerend 'anders-zijn', is een andere reden voor mijn huidige interesse in analoge computers het feit dat het een manier van denken is over de materialiteit van de berekening, die erg verschilt van de digitale cultuur. Wanneer je computer is gebaseerd op het concept van de analogie tussen twee materiële systemen, is er weinig ruimte voor neoplatonische visies op informatie als een immateriële substantie die er op een of andere manier naar streeft om vrij te zijn. En meer dan de digitale, biedt de cultuur rond analoge berekeningen een zeer interessant uitkijkpunt om een alternatieve kijk te ontwikkelen op de kruising van informatiewetenschap en de manipulatie van de materie op moleculaire schaal. De praktische component van mijn onderzoek naar analoge computing bestond tot nu toe uit het herstellen van een EAI TR-48 analoge computer uit 1963, door te leren hoe die te gebruiken en hem dan als model te hanteren bij het ontwerpen en bouwen van mijn eigen, veel snellere analoge computer, geschikt voor het genereren van HD videosignalen. Toen LIMA me contacteerde, was ik min of meer halverwege in het bouwen ervan, en ik besefte dat ik al de meeste modules had die deel uitmaken van een Rutt-Etra processor, omdat beide apparaten dezelfde voorouder hebben. De enige module die ik nog zou moeten toevoegen was voor video-input. Deze realisatie leidde tot reflecties over het verschil tussen de Vasulka?s die in 1974 een Rutt-Etra processor gebruikten, en mijzelf die 42 jaar later mogelijk een high-definition replica zou gebruiken, en hoe dit betrekking heeft op mijn verkenning van sensoren die een ander soort fysieke interactie met onze stedelijke omgeving mogelijk maken. Ik heb de Vasulka?s altijd gezien als pioniers van de nieuwe, synthetische ruimten die ontstaan door elektronische signalen en vroege digitale transformaties van het beeld. Hoewel stevig geworteld in de apparaten die ze gemanipuleerd of co-ontwikkeld hebben, waren ze in zekere zin verkenners van immateriële werelden, waarbij ze een deel van het basiswerk deden voor de latere intrede van cyberspace en virtuele realiteit. Steve Rutt gebruikt de analoge computer als een model, want dat was in de jaren 1970 voor een elektronica-ingenieur de voor de hand liggende manier om dingen te doen, terwijl ik erin geïnteresseerd ben vanwege het ongewone uitkijkpunt dat er door wordt mogelijk gemaakt, waarbij ik bewust afstand neem van mijn vroeger werk op het vlak van programmering. Mijn redenen om geïnteresseerd te zijn in zintuiglijke uitbreidbaarheid en analoge computing zijn gerelateerd aan mijn interesse in hoe machines de materiële wereld om ons heen helpen vormen, waarbij ik mij afvraag hoe de technologieën van de meting en simulatie deel uitmaken van onze manieren om waar te nemen en te denken, en aan mijn nieuwsgierigheid naar alternatieven. Dus waar de Vasulka?s de Rutt-Etra processor gebruikten in hun evolutie naar digitale technologie en immateriële signalen, ben ik bewust teruggekeerd naar de technologieën van die periode, op zoek naar een andere kijk op de huidige technologische ontwikkelingen, omdat het verleden nu eenmaal de gemakkelijkst toegankelijke bewaarplaats van alternatieven is. Zoals Erkki Huhtamo het zo eenvoudig en mooi zegt bij het uitleggen van zijn opvattingen over Media Archeologie: het is interessant om te zoeken naar het nieuwe in het oude, en om te zoeken naar het oude in het nieuwe. Bij het overwegen van de materialiteit van de signalen, niet alleen in mijn analoge apparaten, maar ook in onze stedelijke omgeving, dacht ik concreet na over hoe het vastleggen en gebruiken ervan zouden werken in een analoog scenario zonder draagbare digitale apparaten. Dit deed me denken aan eenvoudige experimenten die ik had gedaan met inductiespoel-microfoons, geïnspireerd door de geluidswandelingen van Christina Kubisch. Een inductiespoel-microfoon is in wezen een spoel van metaaldraad die fungeert als een antenne: als je het signaal versterkt en beluistert via een koptelefoon, worden de elektromagnetische schommelingen rond de spoel hoorbaar gemaakt. In een stad zijn de meeste elektrische apparaten aangesloten op het net dat wisselstroom levert met een frequentie van 50 Hz (in Europa en het grootste deel van de wereld, 60 Hz in de VS). Het onzichtbare en immateriële landschap van elektromagnetische signalen in een stad wordt daarom gedomineerd door deze fundamentele frequentie en de vele boventonen, die onze apparaten, zoals klokken, TL-verlichting en elektromotoren synchroniseren met de generatoren in onze centrales. Gedurende een lange tijd werden ook televisies gesynchroniseerd met de frequentie van het elektriciteitsnet, en dat is de reden waarom het nog steeds de basisfrequentie is van de meeste videosignalen. Dit betekent ook dat elektromagnetische signalen opgepikt in de stad zullen resulteren in interessante interferenties wanneer ze worden gebruikt als een extra input in de Rutt-Etra video processor. Het laatste stuk is gebaseerd op een onuitgegeven opname van een wandeling van de nabijgelegen elektriciteitscentrale in het noordwesten van Amsterdam naar mijn atelier, via een route die een verscheidenheid aan interessante elektromagnetische situaties doorkruist. Vanuit mijn standpunt vormde het maken van een verbinding tussen deze materiële maar ontastbare landschappen en het videosignaal zelf, een geschikte hommage aan het werk van de Vasulka?s.

Joost Rekveld

Joost Rekveld is een kunstenaar die werkt rond de vraag wat we kunnen leren van een dialoog met machines. Hij onderzoekt de zintuiglijke gevolgen van de systemen die hij zelf ontwerpt, vaak geïnspireerd door vergeten hoeken in de geschiedenis van wetenschap en technologie. Deze systemen combineren tijdelijke dogma's in de vorm van procedures of codes, met meer open-end elementen zoals materiële processen of netwerken van interacties die te ingewikkeld zijn om te voorspellen. Zijn films, installaties en optredens zijn samengestelde documentaires over de werelden die door dergelijke systemen worden geopend. In hun sensualiteit zijn ze een poging om te komen tot een intiem en belichaamd begrip van onze technologische wereld.

Media